Grammatica

95 stellingen over het Nederlands

Het is niet alleen Halloween, maar ook Hervormingsdag. Vandaag vijfhonderd jaar geleden zou Luther zijn fameuze 95 stellingen op de deur van de Slotkapel in Wittenberg hebben gespijkerd (al schijnt dat een sterk verhaal te zijn). Het begin van de Reformatie en dus het ontstaan van de protestantse kerken.Omslag 'Maar zo heb ik het geleerd!'

95 stellingen over het Nederlands, dat al dan niet hervormd zou zijn of zou moeten worden, moet ik er wel uit kunnen persen, dacht ik. Dus die timmer ik hierbij aan een willekeurige digitale deur. Ze komen allemaal letterlijk uit mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’

  1. Het Nederlands verandert gestaag. Gelukkig maar, want een taal waar niets aan verandert, is per definitie dood.
  2. Het lijkt wel of we ná onze jeugd liever niets meer aan de taal zien veranderen.
  3. Heb je het over taal, dan denken veel mensen meteen aan spelling: ze beginnen over het Groot Dictee of over hoe goed of slecht ze zelf kunnen spellen. Maar spelling is geen taal.
  4. Een taal voldoet aan allerlei regels waar vrijwel niemand ooit over nadenkt, en kan op allerlei manieren variëren.
  5. Pas als mensen vinden dat anderen iets zeggen of schrijven waarvan de vorm niet klopt, ontstaat er discussie over wat goed Nederlands is. Dat leidt tot taalnormen: richtlijnen die zeggen wat goed is en wat niet (en wanneer), of wat als mooier of netter geldt.
  6. Maar in veel gevallen zijn taalnormen een eigen leven gaan leiden en stroken ze niet meer met het Nederlands van nu. Er zijn zelfs normen die helemaal nooit uit de levende taal zijn voortgekomen en stomweg door iemand zijn bedacht.
  7. Taalnormen die hardnekkig de taalpraktijk ontkennen, noem ik ook wel ‘schoolmeestersregels’. Ze zijn altijd simpeler dan de werkelijkheid; het zijn eerder ezelsbruggetjes, oppervlakkige regels die écht nadenken verhinderen.
  8. Schoolboeken blijken conservatief op het vlak van grammatica en logica.
  9. Anders dan bij spelling is er geen wet die de grammatica voorschrijft en die vastlegt welke woorden beter zijn dan andere, of die bepaalt wie het op die terreinen voor het zeggen heeft.
  10. Van de zestigplussers geeft in de enquête nog 82% aan dat ze hij wilt echt fout vinden. Van de dertigminners nog maar een minderheid: 42%. De acceptatie van hij wilt groeit dus.
  11. Teksten zijn beter toegankelijk als ze niet al te formeel zijn, omdat formeel taalgebruik verder afstaat van hoe we dingen spontaan zouden zeggen of schrijven.
  12. Wouden of wouen is spreektaal. In geschreven taal gebruik je wilden. Het enkelvoud wou kun je in niet al te formele teksten wel gebruiken.
  13. De meervoudsvorm van de gebiedende wijs bestaat in de Nederlandse standaardtaal al vele decennia niet meer.
  14. Dat geldt voor alle dt-fouten: zelfs de beste spellers maken ze af en toe. Dat komt doordat je bij het schrijven vaak automatisch kiest voor de vorm die je het vaakst tegenkomt.
  15. In het geval van je kan/kunt is het Nederlands in Vlaanderen misschien wel moderner dan dat in Nederland. Nederlanders doen eigenlijk een beetje moeilijk.
  16. Als we, je, ze en dergelijke beter klinken, schrijf ze dan liever niet als wij, jij/jou, zij.
  17. Het is niet te voorspellen of me boek het toch ooit nog eens tot de standaardtaal zal schoppen.

    hun hebben
    Illustratie: Frank Landsbergen
  18. Een van de moeilijkste taalregels is het verschil tussen hun en hen. Dat is een krankzinnige regel.
  19. De moderne regel is in opkomst: schrijf in alle gevallen hen, dus: Ik heb hen een fles wijn gegeven. Hun is dan uitsluitend bezittelijk: hun huis.
  20. Omdat hun als onderwerp zo lelijk wordt gevonden, zal het nog heel lang of misschien zelfs eeuwig duren voordat het door iedereen geaccepteerd wordt.
  21. Toch is een vergelijkbare taalverandering eerder wél ‘gelukt’.
  22. We lezen zo vaak het boek dat, dat het nogal wennen zou zijn om over te stappen op het boek wat, zelfs al is dat in gesproken taal normaal.
  23. Inmiddels wordt er ook aan het meisje dat geknaagd.
  24. Verreweg de meeste mensen vinden welke lelijk.
  25. Veel mensen die netjes willen schrijven, hebben de neiging om ouderwetse, formele woorden te gebruiken, omdat ze denken dat dat beter is.
  26. Als je die of dat kunt gebruiken, gebruik dan nooit welke. Het is het tegendeel van vlot en natuurlijk Nederlands.
  27. Als je de idee gebruikt, laat je subtiel blijken dat je het filosofische begrip de idee geleerd en onthouden hebt.
  28. Ons ‘nieuwe’ taalgevoel kan niet meer vertrouwen op het woordgeslacht dat bijvoorbeeld ook het lidwoord het bepaalt. In onze woordenschat is een hokje ‘vrouwelijk’ ontstaan waar we namen van plaatsen, landen, bedrijven en dergelijke in plaatsen.
  29. Ook het kunstmatige verschil tussen op wie en waarop verstikt in ‘nette’ schrijftaal de natuurlijke spreektaal, waarin iemand waarop altijd mogelijk is geweest. Hoog tijd om de opgelegde regel met wortel en tak uit te roeien.
  30. Wiens is dus vrij populair. En hoewel je daarmee van oorsprong niet naar vrouwen kon verwijzen, is dat voor steeds meer mensen gewoon mogelijk.
  31. Een heel fijne vakantie en een hele fijne vakantie zijn allebei goed Nederlands. Hele is een geaccepteerde uitzondering.
  32. Er worden dus rare dingen onderwezen aan leerlingen, maar in de praktijk trekken mensen zich er blijkbaar weinig van aan.
  33. Overduidelijk onnodige omschrijvingen met meest moet je zeker vermijden: formuleringen als meest mooi (vaak een luie, letterlijke vertaling van most beautiful) of de meest snelle trein zijn in het Nederlands op z’n zachtst gezegd ongewenst.
  34. Sommige mensen is verteld dat het eigenlijk intussen moet zijn en dat onder van onderwijl komt. Dat klopt niet; ondertussen is een stuk ouder dan intussen.
  35. Als zoveel mensen uitprinten niet mooi vinden, waarom wordt het dan zo massaal gebruikt? Dat komt doordat we onbewust een voorkeur hebben voor duidelijke woorden.
  36. Negen op de tien mensen vinden overnieuw fout, en ze vinden het nog lelijk ook.
  37. Vermijd onderdeel uitmaken van iets. Heel veel mensen vinden die combinatie fout.
  38. In België wordt zwaar wegen door veel mensen niet als een taalfout gezien.
  39. Het is nog altijd een van de bekendste taalfouten waar je ‘schoolmeesters’ mee op de kast kunt krijgen: zich beseffen in plaats van beseffen. De meerderheid vindt het verkeerd, en nóg meer mensen vinden het ook echt niet mooi.
  40. Van de zestigers vindt 72% zich beseffen pertinent fout. Bij de twintigers is dat maar 45%. Over een halve eeuw hebben we misschien wel een nieuwe norm.
  41. Omdat niemand meer mens zijnde zou gebruiken, kun je als mens zijnde nauwelijks meer zien als verhaspeling van als mens en mens zijnde. Het is een behoorlijk vaste combinatie geworden met een eigen betekenis.
  42. Laura was een van de eersten die moeder werden. Het meervoud is het best uit te leggen: die verwijst dan naar eersten. Maar het enkelvoud werd komt het vaakst voor, omdat de aandacht bij Laura ligt en niet bij de eersten.
  43. Een groot aantal mensen zegt dat ze ooit hebben moeten leren dat bij een aantal geen werkwoord in het meervoud hoort. Maar deze ‘schoolmeestersregel’ is een misverstand en heeft als taalregel nooit bestaan!
  44. Veel mensen houden dus vast aan een regel die zinnen oplevert die ze lelijk vinden. Dat laatste bewijst dat de ‘schoolmeestersregel’ niet strookt met hoe taal in je hoofd werkt.
  45. Er is nóg iets vreemds aan de klassieke kwestie een aantal mensen is/zijn. Namelijk dat die kwestie helemaal niet klassiek ís. Het lijkt er sterk op dat de strenge regel pas in de tweede helft van de twintigste eeuw in de mode is geraakt.
  46. Bij een onderwerp als dat soort mensen kan de persoonsvorm zowel enkelvoud als meervoud zijn.

    een millioen menschen
    Een van de vele citaten in ‘Maar zo heb ik het geleerd!’
  47. Het meervoud is logischer: een miljoen mensen keken. Enkelvoud kan ook, maar lijkt wat gekunstelder en ouderwetser en wordt ten onrechte als beter gepropageerd.
  48. Media is meervoud – met de kanttekening dat het enkelvoud sterk in opmars is.
  49. Data in de betekenis ‘informatie’ staat op het punt enkelvoud te worden.
  50. Met de kwestie is, historisch gezien, iets heel vreemds aan de hand. Je zou denken dat De reizigers worden verzocht een moderne uitvinding is, die langzaamaan geaccepteerd raakt naast het oorspronkelijke enkelvoud. Maar het is juist andersom!
  51. De reizigers worden verzocht uit te stappen is prima Nederlands. Met een lastige redenering vinden veel mensen ook (of alleen) wordt hier goed. Dat mag – maar ‘verbeter’ het meervoud vooral niet in enkelvoud.
  52. Tussen werkwoorden die uit twee delen bestaan, mag een ander woord komen te staan. In formele schrijftaal wordt eerder verwacht dat je dat niet doet: moeten invullen is dan de beste keuze. Maar eigenlijk is in moeten vullen net zo goed Nederlands.
  53. Germanismen, foute Duitse leenvertalingen, zijn er nauwelijks meer.
  54. Heb je vroeger moeten leren dat gedaan heeft slechter is dan heeft gedaan? Dan was dat misschien wel omdat je docent gedaan heeft een germanisme vond: een kopie van de Duitse woordvolgorde in bijzinnen (getan hat). Maar dat is een fabeltje.
  55. De aangeprate angst voor de ‘foute’, ‘spreektalige’, ‘Duitse’ volgorde met het hulpwerkwoord achteraan – allemaal niet waar, dus – leidt tot een merkwaardig soort fout.
  56. Jaren zestig of zestiger jaren? Het mag allebei.
  57. Is iets nog een germanisme (een foute leenvertaling uit het Duits) als het al lang en breed ingeburgerd is? Nee: dat etiket verdwijnt als niemand meer bezwaar heeft tegen zo’n woord of formulering.
  58. Na 1850 dook meerdere steeds vaker op in zinnen waarin het niet door grotere of meer vervangen kon worden. En dat is dus al ruim anderhalve eeuw zo. Het verzet tegen dit ‘germanisme’ in de jaren 1930 kwam veel te laat.
  59. Blijkbaar vinden mensen gelijk een beetje plat of spreektalig en passen woorden als meteen en direct beter in geschreven teksten.
  60. Over zo’n en zulk(e) denkt bijna niemand ooit na. Je kiest automatisch een van die twee vormen en je weet eigenlijk niet waarom.
  61. Journalisten hebben het inmiddels afgeleerd om te Leiden en te Suriname te schrijven. In is nu de standaard. Toch is het gebruik van te nog behoorlijk hardnekkig in allerlei andere contexten.
  62. U rijdt te hard is goed Nederlands.
  63. Kwalitatief is voor veel mensen geen synoniem van goed, al wordt het in België langzaamaan standaardtaal.
  64. Maar hoewel kruidnoten gemiddeld ‘beter’ wordt gevonden, eten de mensen blijkbaar liever iets wat pepernoten heet, zelfs al noemt de bakker ze kruidnoten.
  65. Plaats en plek zijn in veel gevallen uitwisselbaar. Als het ene woord duidelijk beter is dan het andere, voel je dat vanzelf aan.
  66. De n aan het eind van een woord (meestal een werkwoord of een meervoudsvorm: lopen, boeken) wordt in grote delen van het taalgebied standaard niet uitgesproken: [loope], [boeke]. Dat wél doen kan onnatuurlijk overkomen.
  67. Veel mensen vinden catalógus, normalíter en vooral pergóla (te) volks klinken.
  68. Het meervoud van handvat mag zowel handvatten als handvaten zijn. Het oordeel dat handvaten minder goed zou zijn, verdwijnt langzaamaan.
  69. In het Groene Boekje was decennialang alleen de frikadel te vinden. Daardoor namen veel mensen aan dat frikandel spreektaal was en dat die n er dus niet in thuishoorde.
  70. Taal is geen wiskunde.
  71. Vrij veel jongeren vinden het niet gek om mensen die vegetarisch eten zelf ook vegetarisch te noemen: Sinds begin dit jaar ben ik vegetarisch is dan een goede zin, en bijvoorbeeld ook Zij heeft veel vegetarische vrienden.
  72. Als de jeugd de toekomst bepaalt, is het over een aantal decennia onomkeerbaar: gijzelaar verliest zijn oorspronkelijke betekenis ‘slachtoffer van een gijzeling’.
  73. ‘Letterlijkheidsfetisjisme’. Daar hebben de tegenstanders van iets gehad hebben waarschijnlijk last van.
  74. ‘Ik heb een cadeau gehad’ is in de omgangstaal gewoon goed Nederlands.
  75. ‘Heb je geen honger?’ ‘Hij heeft niet gewonnen, toch?’ Wie beweert dat ja het juiste antwoord is als iemand geen honger heeft of niet gewonnen heeft, is een betweter. Zulke mensen ontregelen een gesprek met hun ‘logische’ ja op een vraag met geen of niet erin, en dat vinden ze vaak nog leuk ook.
  76. Een zin met ik beginnen mag. Vooral als een andere volgorde geforceerd overkomt.
  77. De afkorting van meester is mr., mét een punt. Dat is altijd zo geweest.
  78. Het kan heel storend zijn om een komma te lezen op een plek waar je de zin achter elkaar door zou lezen, en het kan juist heel behulpzaam zijn om een lange, lastige zin te verduidelijken met een komma.

    met en beginnen
    Illustratie: Frank Landsbergen
  79. Er mag best een komma voor en staan. Je voelt waarschijnlijk vanzelf wel aan wanneer dat kan.
  80. En aan het begin van een zin is nooit verboden geweest, ook al hebben ‘schoolmeesters’ het nog zo bestreden.
  81. Als je om uit een zin kunt weglaten, is het vaak het best om het toch te laten staan. De zin is dan duidelijker en loopt soepeler.
  82. Omdat past bij redenen én oorzaken.
  83. Om houterig klinkende zinnen te voorkomen kun je indien het best vervangen door als.
  84. Het voegwoord wanneer is een synoniem van als.
  85. Sjibbolets zijn taalvormen die wel vaak voorkomen, maar door heel veel mensen afgekeurd worden. De weerzin die die vormen oproepen, zorgt ervoor dat ze in de standaardtaal waarschijnlijk nog heel lang als fout blijven gelden.
  86. Groter als, minder als, anders als: dat vinden we met z’n allen écht níét kúnnen.
  87. Taalkundigen haten de huidige strenge norm.
  88. We blijven elkaar een gekunstelde norm opleggen die nog altijd ontzettend veel prestige heeft. Wie zich er niet aan houdt, wordt al snel voor dom versleten.
  89. Veel mensen zijn zo bang voor het foute als dat ze het ook door dan vervangen als dat niet had gemoeten. Soms komt dat door het foute ezelsbruggetje over gelijkheid: in plaats van drie keer zoveel als hoor of lees je dan drie keer zoveel dan.
  90. Het wat exotisch aandoende L.S. wordt niet vaak meer gebruikt en steeds vaker niet begrepen.

    'Maar zo heb ik het geleerd!'
    ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties – Wouter van Wingerden
  91. Hoogachtend kun je beter niet gebruiken. Het is nogal afstandelijk.
  92. Omdat veel mensen wezen spreektalig vinden klinken, denken sommigen dat ook wees niet netjes is. Vandaar dat Ben maar niet bang behalve dialect ook een geval van hypercorrectie kan zijn.
  93. Er bestaat in het Nederlands geen woord ega.
  94. Wat schetst mijn verbazing? en Wie schetst mijn verbazing? zijn allebei goed.
  95. Zich irriteren geldt als fout. In de spreektaal moet je je er maar niet te veel aan irriteren ergeren.

En, kon je een beetje meegaan in al die hervormingen? Of schoot je spontaan in de contrareformatie? Hoe dan ook, als je de stellingen wat te stellig of te veel buiten verband vindt, lees dan vooral ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties. (Uiteraard ook in de boekhandel verkrijgbaar.)

Hudson's Bay Leiden

Hudson’s Bay opent haar deuren

Deze week is Amsterdam aan de beurt en volgende week is het in Leiden zover: Hudson’s Bay opent haar deuren, zegt Leiden.TV.

Veel mensen zal aan Hudson’s Bay opent haar deuren niets bijzonders opvallen. ‘Ons’ wel, zeg ik maar even, want als je dit leest, ben je waarschijnlijk extra taalgevoelig en weet je dat namen van bedrijven – net als aardrijkskundige namen – doorgaans niet vrouwelijk zijn, maar onzijdig. Hudson’s Bay opent zijn deuren moet het dan zijn.

Die opvatting heb ik lange tijd stellig verdedigd. Zeker toen ik als taaladviseur bij Onze Taal (2003-2015) veel vragen over zulke gevallen moest beantwoorden en teksten corrigeerde waarin steden, landen en bedrijven telkens ten onrechte als vrouwelijk werden opgevoerd. Maar tijdens het schrijven van mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ ben ik er anders over gaan denken.

Hardnekkig

Ik moest wel. Bij alle kwesties in het boek heb ik namelijk duizenden mensen om hun opvatting gevraagd: wat vinden ze goed Nederlands (en waarom), en wat vinden ze mooi? Precies bij deze kwestie is het me niet gelukt om de grote voorkeur voor zij en haar als verwijswoorden te negeren, alsof die vormen gewoon dom en corrigeerbaar zijn. Nee, daarvoor blijken ze te hardnekkig, en het lijkt erop dat ze getuigen van een taalregel die veel mensen geïnternaliseerd hebben – in feite dus een taalgevoel, want anders dan bijvoorbeeld ‘nooit een komma voor en‘ of ‘aantal is enkelvoud’ is het gebruik van vrouwelijke verwijswoorden volgens mij geen regel die ‘erin geslagen’ wordt op school.

Hooguit is het een kenmerk van iets formelere taal. In spontane gesprekken hoor je die vrouwelijke verwijswoorden minder. Maar zodra mensen schrijven, zijn ze massaal geneigd ze wél te gebruiken. En dus niet omdat het ze van buiten is opgelegd. In mijn boek concludeer ik daarom:

Frankrijk en zijn wijnstreken is de norm. Toch vinden we – zodra we netjes willen schrijven – landen en plaatsen zo massaal vrouwelijk dat je Frankrijk en haar wijnstreken moeilijk fout kunt noemen. Het zou kunnen dat taalexperts ooit voor die neiging zwichten.

Vind je dat te voorzichtig en zijn zij en haar prima verwijswoorden? Of ben ik te mild en had ik de ‘verharing’ of ‘haarziekte’ resoluut moeten veroordelen? Ik ben benieuwd.

(G)een hele erge taalfout

  • ‘Ik wens je een hele fijne vakantie!’
  • ‘Geen halve, mag ik hopen.’

De kans is aanzienlijk dat je zo’n reactie weleens te horen hebt gekregen. Of anders dat je zélf zo hebt gereageerd op iemand die het over een hele fijne vakantie, hele fijne feestdagen of een hele mooie jurk had. Want hele, dat is fout Nederlands; het moet heel zijn. Een heel fijne vakantie, een heel mooie jurk.Omslag 'Maar zo heb ik het geleerd!'

Klopt dat? Als je een hele fijne vakantie heel letterlijk neemt, is het ‘een fijne vakantie die heel is’. Wil je zeggen dat de vakantie heel fijn moet worden, dan is het een heel fijne vakantie. Toch luistert het niet zo nauw. Hoe dat zit, en wat taalexperts ervan vinden, kun je lezen in mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties. Daarin staat trouwens ook hoeveel mensen een hele fijne vakantie fout vinden. En of die mensen het dan ook allemaal lelijk vinden.

Veel ‘taalfouten’ waarover mensen zich opwinden, zijn overigens niet nieuw. Ter illustratie daarom twee oude gevallen van het verbogen bijwoord heel. Het eerste uit 1930, het tweede uit 1865.

Als alle couranten alle dagen al hun fouten wilden rectificeeren, dan moesten ze naast hun ochtend- en avondeditie ook nog een middageditie uitgeven. Alleen heele erge fouten worden gerectificeerd. (Bron: Delpher)

 

Een kapitaal HEERENHUIS, alleraangenaamst gelegen in de kom van het dorp Groesbeek, ook zeer geschikt tot logement, uitspanning of ander bedrijf, bevattende 6 boven- en benedenkamers, keuken, stal voor koeijen en paarden, remise, schuur, een fraaijen vruchtbaren tuin met heele fijne fruitbomen, alles door eene welwassende haag omgeven en eene grootte hebbende van 45 roeden. (Bron: Delpher)

Vraag je je af of wat je over het Nederlands geleerd hebt wel klopt? Lees mijn boek!

hele fijne vakantie

Hele fijne vakantie (geen halve)

Erger je je eraan als iemand je een hele fijne vakantie wenst? Dan is de kans groot dat je niet meer bij de jongsten behoort. Dat is in elk geval het beeld dat naar voren komt uit de enquête die ik vorig jaar onder 17.000 mensen heb gehouden. De resultaten daarvan lees je nu in mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties.

Waarschijnlijk ken je het wel: de een wenst de ander een hele fijne vakantie of een hele goeie reis en de ander reageert met ‘Geen halve, nee.’ Wie dat doet, noem ik een letterlijkheidsfetisjist. Ergens hebben zulke letterlijkheidsfetisjisten very nice vacationnatuurlijk gelijk, als je zo’n zin heel precies gaat ontleden: een hele fijne vakantie is een vakantie die heel en fijn is, of anders gezegd: een fijne vakantie die heel is. Wil je iets over ‘de mate van fijnheid’ zeggen, dan doe je dat met een bijwoord, en dat wordt normaal gesproken niet verbogen: een heel fijne vakantie dus.

We verbuigen bijwoorden ook bijna nooit. Je zult zelden horen over een behoorlijke fijne vakantie of een erge fijne vakantie. Een hele fijne vakantie is dus echt een uitzonderlijk geval. Maar wel een zó vaak voorkomend uitzonderlijk geval dat het inmiddels tot de standaardtaal behoort. In mijn boek haal ik dan ook de Taaltelefoon en Onze Taal aan, die dit hele een geaccepteerde uitzondering vinden (behalve misschien in formele teksten).

In het boek staan meer hoofdstukken waarin een (te) letterlijke taalopvatting de communicatie verstoort:

  • vegetariër of vegetarisch?
  • gijzelt een gijzelaar?
  • gehad of gekregen?
  • geen honger: ja of nee?

Lees hier alles over ‘Maar zo heb ik het geleerd!’

Finland: zijn, haar & hen

Afgelopen vrijdag was ik bij ‘Goede redenen voor foute taal’, een bijzonder geslaagd symposium over de aard van taalnormen en het soms grote verschil tussen zulke normen en hoe ons taalsysteem werkt. Het ging bijvoorbeeld over hun hebben en over de manier waarop Nederlanders verwijswoorden kiezen, een systeem dat helemaal niet strookt met de traditionele woordgeslachten. Interessante blogs naar aanleiding van het symposium vind je bij Miet Ooms en Gaston Dorren.

Ik schrijf zelf een boek over taalnormen. Een deel van die normen botst met hoe we taal in de praktijk gebruiken. Daar kom ik dagelijks voorbeelden van tegen. Kijk hier maar eens naar:

De taalnorm zegt: naar het-woorden verwijs je met het en zijn. Het land is bang, het wil zich verdedigen, het versterkt zijn defensie. Net als land is ook de naam Finland een het-woord: het verre Finland. En dus ook: Finland en zijn vele meren. Maar de norm in het hoofd van veel mensen is anders. Vooral in geschreven taal, maar soms ook in spreektaal, behandelen we aardrijkskundige namen vaak als vrouwelijk. Vandaar dat je hier leest: “Finland blijft ook op haar eigen manier …”

En hoe komt het dat er ineens hen staat in de laatste zin? Dat heeft twee oorzaken: ten eerste de nadruk die op die plek in de zin valt (het kun je moeilijk benadrukken, en haar gaat hier wel erg opvallen; het doet dan snel aan een vrouwelijke persoon denken), en ten tweede het feit dat je in het Nederlands makkelijk kunt overschakelen op een verwijzing naar de mensen die samen een bedrijf of stad of land vormen. In gesproken taal is dat heel gewoon (‘Ik was bij de Spar en ze hadden geen merguezworstjes’), maar in de schrijftaal duikt het dus ook op.

Hoofdstuk 10 van mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ heet ‘Frankrijk: haar of zijn wijnstreken?’ Wat mensen mooi vinden en welk verwijswoord volgens hen goed is (en waarom) kun je vanaf 6 juni lezen.

Scroll naar top