Hudson’s Bay opent haar deuren

Deze week is Amsterdam aan de beurt en volgende week is het in Leiden zover: Hudson’s Bay opent haar deuren, zegt Leiden.TV.

Veel mensen zal aan Hudson’s Bay opent haar deuren niets bijzonders opvallen. ‘Ons’ wel, zeg ik maar even, want als je dit leest, ben je waarschijnlijk extra taalgevoelig en weet je dat namen van bedrijven – net als aardrijkskundige namen – doorgaans niet vrouwelijk zijn, maar onzijdig. Hudson’s Bay opent zijn deuren moet het dan zijn.

Die opvatting heb ik lange tijd stellig verdedigd. Zeker toen ik als taaladviseur bij Onze Taal (2003-2015) veel vragen over zulke gevallen moest beantwoorden en teksten corrigeerde waarin steden, landen en bedrijven telkens ten onrechte als vrouwelijk werden opgevoerd. Maar tijdens het schrijven van mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ ben ik er anders over gaan denken.

Hardnekkig

Ik moest wel. Bij alle kwesties in het boek heb ik namelijk duizenden mensen om hun opvatting gevraagd: wat vinden ze goed Nederlands (en waarom), en wat vinden ze mooi? Precies bij deze kwestie is het me niet gelukt om de grote voorkeur voor zij en haar als verwijswoorden te negeren, alsof die vormen gewoon dom en corrigeerbaar zijn. Nee, daarvoor blijken ze te hardnekkig, en het lijkt erop dat ze getuigen van een taalregel die veel mensen geïnternaliseerd hebben – in feite dus een taalgevoel, want anders dan bijvoorbeeld ‘nooit een komma voor en‘ of ‘aantal is enkelvoud’ is het gebruik van vrouwelijke verwijswoorden volgens mij geen regel die ‘erin geslagen’ wordt op school.

Hooguit is het een kenmerk van iets formelere taal. In spontane gesprekken hoor je die vrouwelijke verwijswoorden minder. Maar zodra mensen schrijven, zijn ze massaal geneigd ze wél te gebruiken. En dus niet omdat het ze van buiten is opgelegd. In mijn boek concludeer ik daarom:

Frankrijk en zijn wijnstreken is de norm. Toch vinden we – zodra we netjes willen schrijven – landen en plaatsen zo massaal vrouwelijk dat je Frankrijk en haar wijnstreken moeilijk fout kunt noemen. Het zou kunnen dat taalexperts ooit voor die neiging zwichten.

Vind je dat te voorzichtig en zijn zij en haar prima verwijswoorden? Of ben ik te mild en had ik de ‘verharing’ of ‘haarziekte’ resoluut moeten veroordelen? Ik ben benieuwd.

De z vecht terug

Een kleine observatie. In Amsterdam sien se nog steeds de son in de see sakken. Maar de z vecht terug: steeds vaker laat hij zich niet assimileren met de stemloze medeklinker die er direct voor staat.

Da’s natuurlijk nogal taalkundig geformuleerd. Laat ik eerst assimilatie uitleggen: dat is het fenomeen dat klanken die wezenlijk van elkaar verschillen, een eigenschap van elkaar overnemen, omdat dat makkelijker praat. Dat doe je niet bewust; het gaat vanzelf. En die assimilatie blijkt volgens allerlei vaste patronen te verlopen (ze verschillen wel per taal). Een paar gevallen in het Nederlands:

  • ook zij > ook-sij
  • afval > af-fal
  • uitval > uit-fal
  • het zuiden > het-suiden
  • liefde > liev-de
  • zakdoek > zag-doek (g van goal)
  • opbellen > ob-bellen

In de eerste vier gevallen gaat het om ‘progressieve assimilatie’: de k, de f en de t zijn stemloos, en daardoor wordt de z of de v die erop volgt, ook stemloos. De laatste drie zijn ‘regressief’: de f, de k en de p worden stemhebbend, omdat de d of de b die erop volgt dat is. Je kunt er meer over lezen in een inmiddels niet meer zo nieuwe syllabus van fonoloog Marc van Oostendorp, die integraal online staat (zie paragraaf 4.5).

Peter Kuipers Munneke

Weerman Peter Kuipers Munneke laat zich weleens een ‘hed-zuiden’ ontglippen.

Maar ik merk dat die vaste patronen aan het veranderen zijn. In elk geval in combinaties waarin de z de tweede klank is. Die zou na een stemloze klank als k of p of t stemloos moeten worden en dus als een s moeten gaan klinken. Alleen – dat gebeurt steeds vaker niet. Ik hoorde vanmorgen zelfs Marc van Oostendorp zelf (2:09) ook zij uitspreken als oog-zij (waarin niet de z stemloos wordt, maar de k stemhebbend, als de g van goal dus). Het valt me op radio en tv vaak op dat die z nadrukkelijk stemhebbend klinkt en de ‘assimilatiewetten’ tart. Uit-zetten, het-zuiden (of hed-zuiden), op-zoeken (of ob-zoeken), broek-zak – weermannen en -vrouwen, nieuwslezers, interviewers, voice-overs, steeds meer mensen benadrukken die zoemende z. Overigens vaak zonder de klank ervoor expliciet stemhebbend te maken; de assimilatie wordt dan dus simpelweg niet toegepast.

Hoe dat komt? Ik weet het niet. Als ik er iets over móést zeggen, zou ik het vermoeden uitspreken dat het angst-voor-z-als-s is. Hypercorrectie dus. Vandaar dat je het juist hoort in de media, bij mensen die zich ervan bewust zijn dat ze een groot publiek hebben. Ze willen netjes praten, niet plat overkomen. (Er zijn vast ook mensen die meteen een verband leggen met de invloed van migranten, maar daar geloof ik in dit geval niet zo in – eerder dus hypercorrectie, met invloed van spellinguitspraak.) Maar ik ben benieuwd naar andere, misschien betere theorieën.

Mensen, hou op met ‘personen’

Dat het vandaag ‘pride’ alom is, daar ben ik ook trots op. En ik ben heel blij dat steeds meer mensen op de bres staan voor minder bekende en kleinere minderheden dan homo’s en lesbiennes. Ik ben ook – op momenten van zwakheid na – een groot voorstander van politieke correctheid op allerlei vlakken. Toch moet me iets van het hart.

Het Transgender Netwerk Nederland heeft een mediawegwijzer. Een loffelijk streven natuurlijk, waarvan ik hoop dat niet alleen de media er kennis van nemen. Sommige dingen waren ook voor mij even wennen, zoals trans en transgender als bijvoeglijk naamwoord (een trans vrouw, transgender mannen). Daar valt prima mee te leven. Maar er is één woord waar ik telkens de kriebels van krijg.

13 personenPersonen. Volgens TNN moeten we het over transgender personen hebben. Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik vind personen een ontzettend onmenselijk woord. Ik associeer het met ‘max. 13 personen’ in een lift of met ‘zespersoons vakantiehuisjes’ – een soort maateenheid zoals kilo en kuub en stuks. Of misschien met mijn persoontje, wat je nooit moet zeggen.

Zodra je het over voorstelbare of zelfs concrete personen hebt, zou ik ze mensen noemen. Dat zijn ze tenslotte ook echt. Mensen zoals jij en ik. Een persoon schept afstand, ontmenselijkt. Een mens is een medemens van vlees en bloed, iemand die je kunt ontmoeten, in de ogen kunt kijken en in de armen kunt sluiten. Iemand om mee te praten, om het mee eens of oneens te zijn, om samen bergen mee te verzetten.

Kortom, hoe omzichtig en correct persoon ook bedoeld mag zijn, ik vind het vooral onpersoonlijk. In alle taal die over echte mensen gaat, trouwens, zoals in nieuwsberichten. ‘10.000 personen mensen geëvacueerd’, ‘107.000 personen mensen met een handicap krijgen opslag’, ‘Communiceren met personen mensen met dementie’. Zelfs in ‘Vijf personen opgepakt voor seksuele uitbuiting’ – hoe onmenselijk ook – zou ik personen door mensen vervangen. Gewoon om onze menselijkheid te tonen, in alle omstandigheden.

Kun je vegetarisch zijn?

  • ‘Mijn zus is vegetarisch.’
  • ‘Huh? Maar ze is toch van vlees?’Omslag 'Maar zo heb ik het geleerd!'

Is dat nu grappig of niet? Dat hangt van de betekenis van vegetarisch af. In de praktijk wordt vaak gezegd dat iemand vegetarisch is, ook al zijn er veel mensen die vinden dat je van mensen alleen kunt zeggen dat ze vegetariër zijn. Vegetarisch hoort dan bij het eten, bijvoorbeeld een vegetarische maaltijd.

Wat is tegenwoordig de regel? Wie bepaalt dat? En hoeveel (of hoe weinig) mensen hebben moeite met een vegetarische zus? Dat valt allemaal te lezen in mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties.

Een vegetarisch professor ging de woestijn in en stak tegen de kanibalen een speech af over de verderfelijkheid van het vleescheten. Ze luisterden aandachtig en brachten hem aan het slot een groote ovatie.

Nietwaar?, vroeg hij, jullie zult allemaal mijn raad opvolgen.

Wij zweren het, klonk het in koor. Maar nog éénmaal en nu voor ’t laatst, willen wij vleesch eten om te proeven, hoe het vleesch van een vegetariër smaakt. (1901; bron: Delpher)

(G)een hele erge taalfout

  • ‘Ik wens je een hele fijne vakantie!’
  • ‘Geen halve, mag ik hopen.’

De kans is aanzienlijk dat je zo’n reactie weleens te horen hebt gekregen. Of anders dat je zélf zo hebt gereageerd op iemand die het over een hele fijne vakantie, hele fijne feestdagen of een hele mooie jurk had. Want hele, dat is fout Nederlands; het moet heel zijn. Een heel fijne vakantie, een heel mooie jurk.Omslag 'Maar zo heb ik het geleerd!'

Klopt dat? Als je een hele fijne vakantie heel letterlijk neemt, is het ‘een fijne vakantie die heel is’. Wil je zeggen dat de vakantie heel fijn moet worden, dan is het een heel fijne vakantie. Toch luistert het niet zo nauw. Hoe dat zit, en wat taalexperts ervan vinden, kun je lezen in mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties. Daarin staat trouwens ook hoeveel mensen een hele fijne vakantie fout vinden. En of die mensen het dan ook allemaal lelijk vinden.

Veel ‘taalfouten’ waarover mensen zich opwinden, zijn overigens niet nieuw. Ter illustratie daarom twee oude gevallen van het verbogen bijwoord heel. Het eerste uit 1930, het tweede uit 1865.

Als alle couranten alle dagen al hun fouten wilden rectificeeren, dan moesten ze naast hun ochtend- en avondeditie ook nog een middageditie uitgeven. Alleen heele erge fouten worden gerectificeerd. (Bron: Delpher)

 

Een kapitaal HEERENHUIS, alleraangenaamst gelegen in de kom van het dorp Groesbeek, ook zeer geschikt tot logement, uitspanning of ander bedrijf, bevattende 6 boven- en benedenkamers, keuken, stal voor koeijen en paarden, remise, schuur, een fraaijen vruchtbaren tuin met heele fijne fruitbomen, alles door eene welwassende haag omgeven en eene grootte hebbende van 45 roeden. (Bron: Delpher)

Vraag je je af of wat je over het Nederlands geleerd hebt wel klopt? Lees mijn boek!

Pizza hawaï

De uitvinder van de pizza hawaï is overleden. De Griekse Canadees Sam Panopoulos bedacht in 1962 een pizza met ham en ananas – dat laatste in de vorm van stukjes ananas uit blik. Een blikje uit Hawaï, waar de ananasteelt een belangrijke bron van inkomsten is (vroeger meer dan nu, overigens). Vandaar.

pizza hawaï/hawaiiWaarom schrijf ik hierover? Omdat ik me als taalnerd natuurlijk meteen afvroeg hoe je pizza hawaï hoort te schrijven. (Zo dus, is meteen het antwoord.) Pizza is het probleem niet. Hawaï wel – want waarom schrijf je het klein in pizza hawaï en is het bovendien niet met ii, terwijl de Amerikanen hun meest westelijke staat wel Hawaii noemen?

Om met dat laatste te beginnen: Hawaii is het endoniem, dus de naam die ter plaatse wordt gebruikt. In het Engels althans, want de Hawaïanen hebben ook nog een eigen taal en daarin is Hawaiʻi de juiste schrijfwijze. Dat tekentje tussen de i’s is geen apostrof, maar een ‘glottisslag’: een ‘stop’ tussen twee klinkerklanken, en daarmee een van de slechts 13 tekens in het Hawaïaanse alfabet.

Hawaii en Hawaiʻzijn dus endoniemen, en Hawaï is ons exoniem. Ooit heeft iemand verzonnen dat we het in het Nederlands zo moeten schrijven. Helaas, want we zeggen helemaal geen ‘Hawa-ie’, wat dat trema wel suggereert. Wat mij betreft schaffen we het af en gaan we over op Hawai (of gewoon Hawaii, net als de Amerikanen). Naast maïs is in 2005 tenslotte ook mais in het Groene Boekje gekomen, omdat we in Nederland nu eenmaal geen ‘ma-ies’ zeggen.

croque hawaïEn dan de kleine letter in pizza hawaï. Die combinatie staat niet in het Groene Boekje en ook niet in de grote Van Dale. Wat je wél in Van Dale vindt, is de croque hawaï (online, pas dit jaar toegevoegd in de abonnementsversie). Daar volgt onherroepelijk uit dat je ook pizza hawaï op die manier schrijft.

Waarom dan een kleine letter en geen hoofdletter? Dat komt doordat er geen rechtstreeks verband is met de staat Hawaï. De hoofdletter van een aardrijkskundige naam verdwijnt als een woord of een samenstelling of een woordgroep niet meer rechtstreeks naar een plaats, land, rivier of iets dergelijks verwijst; er is alleen nog een indirect verband. Een paar voorbeelden: champagne, haarlemmerolie, pekingeend, een bourgondiër. (De enige uitzondering daarop zijn bijvoeglijke naamwoorden: Duitse herder, Kaaps viooltje.)

Zo is het ook gegaan met hawaï. Dat is een woorddeel geworden dat in veel gevallen betekent: ‘bereid met ananas’. Vandaar niet alleen de pizza hawaï en de croque hawaï (en dus in Nederland de tosti hawaï), maar bijvoorbeeld ook de hawaïburger en de hawaïsteak. En er zijn nog twee woorden waarin hawaï niet direct meer naar de eilanden verwijst, maar alleen naar een stijl: hawaïhemd en hawaïmuziek.

Justin TrudeauRest de niet-talige vraag of je wel ananas op je pizza mag doen. Volgens talloze mensen is dat een doodzonde. De president van IJsland wilde het zelfs verbieden. Ik geef hier grif toe dat ik een pizza hawaï wél lekker vind. En daarbij heb ik gelukkig Justin Trudeau aan mijn zijde. #teampineapple

Over haat en liefde gesproken: heb je mijn nieuwe boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ al?

Hele fijne vakantie (geen halve)

Erger je je eraan als iemand je een hele fijne vakantie wenst? Dan is de kans groot dat je niet meer bij de jongsten behoort. Dat is in elk geval het beeld dat naar voren komt uit de enquête die ik vorig jaar onder 17.000 mensen heb gehouden. De resultaten daarvan lees je nu in mijn boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties.

Waarschijnlijk ken je het wel: de een wenst de ander een hele fijne vakantie of een hele goeie reis en de ander reageert met ‘Geen halve, nee.’ Wie dat doet, noem ik een letterlijkheidsfetisjist. Ergens hebben zulke letterlijkheidsfetisjisten very nice vacationnatuurlijk gelijk, als je zo’n zin heel precies gaat ontleden: een hele fijne vakantie is een vakantie die heel en fijn is, of anders gezegd: een fijne vakantie die heel is. Wil je iets over ‘de mate van fijnheid’ zeggen, dan doe je dat met een bijwoord, en dat wordt normaal gesproken niet verbogen: een heel fijne vakantie dus.

We verbuigen bijwoorden ook bijna nooit. Je zult zelden horen over een behoorlijke fijne vakantie of een erge fijne vakantie. Een hele fijne vakantie is dus echt een uitzonderlijk geval. Maar wel een zó vaak voorkomend uitzonderlijk geval dat het inmiddels tot de standaardtaal behoort. In mijn boek haal ik dan ook de Taaltelefoon en Onze Taal aan, die dit hele een geaccepteerde uitzondering vinden (behalve misschien in formele teksten).

In het boek staan meer hoofdstukken waarin een (te) letterlijke taalopvatting de communicatie verstoort:

  • vegetariër of vegetarisch?
  • gijzelt een gijzelaar?
  • gehad of gekregen?
  • geen honger: ja of nee?

Lees hier alles over ‘Maar zo heb ik het geleerd!’

De Trump-administratie

“De Amerikaanse administratie, de Trump-administratie” – dat hoorde ik Jan Balliauw vorige week zeggen in het journaal van de VRT (bekijk de video hier). En daarmee bedoelde hij natuurlijk allerminst de boekhouding van de VS of de president zelf. Nee, het was een letterlijke vertaling van administration, in een betekenis die het woord administratie in het Nederlands van oudsher niet heeft.

Daarmee is het een typisch voorbeeld van een anglicisme: een foute, zo je wilt ‘luie’ leenvertaling. Je kiest in het Nederlands de taalvorm die het meest op de Engelse lijkt en bedenkt niet of het Nederlands er wellicht een gangbare andere term voor heeft; in dit geval regering. Ik snap hoe het komt: je zit diep in een onderwerp, spreekt vaak die andere taal en vindt het dus helemaal niet gek klinken om het over “de Trump-administratie” te hebben. En toch hoor ik liever ‘de regering-Trump’.

in recente jarenIn liveverslaggeving valt er natuurlijk weinig aan te doen. Gekker wordt het als je zulke anglicismen op schrift aantreft. Je zou toch verwachten dat een schrijver er meer over nadenkt, of dat er iemand anders – een (eind)redacteur bijvoorbeeld – is die zo’n vorm verbetert. Dat dat niet altijd gebeurt, blijkt uit het rare voorbeeld “in recente jaren” (in recent years) dat ik laatst op nrc.nl vond.

Mijn nieuwe boek ‘Maar zo heb ik het geleerd!’ De waarheid achter 50 taalkwesties gaat ook in op de invloed van andere talen. Soms is dat vermeende invloed, want bepaalde taalvormen zijn weleens ten onrechte veroordeeld omdat ze Engels, Duits of Frans aandeden, terwijl ze in feite gewoon voortkomen uit variatie binnen het Nederlands. Dit zijn de hoofdstukken over de kwesties waarvan onze buurtalen vroeger de schuld hebben gekregen (en vaak nog steeds):Omslag 'Maar zo heb ik het geleerd!'

  • meest origineel of origineelst?
  • printen of uitprinten?
  • de media is of zijn?
  • de data is of zijn?
  • gedaan heeft of heeft gedaan?
  • jaren zestig of zestiger jaren?
  • meerdere?
  • gelijk of meteen?

Ik ben benieuwd of je er meteen aan ziet welke taal in die gevallen volgens sommigen de boosdoener was. Wil je weten hoe het precies met die kwesties zit, welke vormen mensen goed en mooi vinden, en wat tegenwoordig de taalnorm is, ga dan naar maarzohebikhetgeleerd.nl.

Waarom zoveel mensen ‘puuzelen’ zeggen

Puzzelen. Daarin zit in mijn eigen Nederlands de u-klank van huppelen en van lummelen, van dus en van kut. En dat is goed, zegt Onze Taal – afgaande op boeken die er iets over zeggen. Bovendien is het wel logisch, gezien de spelling: de u klinkt ‘gesloten’ door de dubbele medeklinker die erna komt.

Toch zeggen heel veel mensen geen [puzzelen], maar [puuzelen]. Met de ‘open’ u-klank van jubelen en van kukelen, van uw en van nu. En daar hebben vele decennia van onderwijs en woordenboekenwijsheid blijkbaar maar weinig aan veranderd.

Theorie

Hoe komt dat? Dat lees je bij Onze Taal niet. De Taalunie zwijgt over de uitspraak van puzzelen, en taaladviesboeken schenken geen aandacht aan deze uitspraakkwestie.

Ik heb een theorie. Zomaar op een dinsdagavond bedacht, maar ik wou ‘m toch even delen. Hier komt-ie.

Toen puzzle (nog in die vorm) uit het Engels in het Nederlands terechtkwam, eind negentiende eeuw, spraken veel Nederlands nog helemaal geen Engels. Maar ze lazen wel kranten, waar niet zo heel veel later de puzzel (het kruiswoordraadsel, doorgaans) een heel gebruikelijk fenomeen werd. Of ze vermaakten zich met legpuzzels. En voor allebei gebruikten ze dat Engelse leenwoord.

Nu is puzzel voor Nederlandstaligen een raar woord. Dat komt doordat wij geen woorden met -uzz- hebben, of in elk geval toen niet hadden. Wél hadden we woorden met de klank [uuz], dus met de u in een open lettergreep. Denk maar aan ruzie, fusie, muziek, muze, museum en huzaar. Het lijkt me aannemelijk dat mensen ruim een eeuw geleden puzzle makkelijk in datzelfde hokje plaatsten, met een klank die ze kenden. En omdat puzzels al vroeg nogal populair werden, werd puzzel een heel gewoon woord – waarbij zoveel mensen [puuzel] zeiden, dat ze dat makkelijk ongestraft konden blijven doen.

Kinderachtig

Generaties later is dat nog steeds zo. Kom je uit een [puuzel]-nest, dan ga je niet zo heel snel [puzzel] zeggen, tenzij je in kringen terechtkomt waarin iedereen dat doet en je er bovendien gevoelig voor bent. De uitspraak [puuzel] geldt als onbeschaafd of zelfs kinderachtig – als je het althans aan de [puzzel]-zeggers vraagt, die zich gesteund voelen door de spelling en door wat woordenboeken zeggen. Misschien hebben hun voorouders goed naar het Engels geluisterd of spreken ze precies uit wat ze lezen.

Maar [puuzel] past, als je het goed bekijkt, misschien wel beter in het klankenassortiment van het Nederlands. Ik moest ook denken aan cornedbeef, waarvan niemand het in z’n hoofd haalt om dat op z’n Engels uit te spreken. En aan notulen, waarvan lang is gezegd dat [nótulen] de nette uitspraak is – terwijl [notúlen] beter bij het Nederlands past, en inmiddels heel gewoon wordt gevonden (het is toevallig ook een hoofdstuk in mijn nieuwe boek).

Een uurtje geleden was ik nog een trotse [puzzel]-zegger. Nu ik alles zo op een rijtje heb gezet, vind ik mijn eigen afkeer van [puuzel] onzin geworden. Tijd voor emancipatie van de puuzelaar.

En dat alles dankzij een vraag van Q-Music.

Turkije in onze taal: leenwoorden en spreekwoorden

Wat heeft het Nederlands aan de Turkse taal en aan de Turken te danken? Dat wilde ik eens bij elkaar zetten. Een overzicht van de bekendste en meest aansprekende leenwoorden uit het Turks en uitdrukkingen over Turken.

Leenwoorden

Heel wat Turkse woorden zijn niet rechtstreeks in het Nederlands terechtgekomen, maar via een of meer andere talen. Dat is vooral via het Frans gebeurd. Langs die weg zijn we aan deze woorden gekomen: divan, jakhals, kiosk, minaret, sofa en tulp. Veel van die woorden zijn trouwens zelf weer van Perzische of Arabische oorsprong. De kozak kennen we via het Russisch.

angora-kat

Angorakat. Er bestaan ook angorageiten en angorakonijnen.

Op culinair gebied hebben we de volgende woorden rechtstreeks of via via uit het Turks geleend: baklava, bulgur, koffie, raki en yoghurt. Met een voorraadje daarvan kun je de dag goed doorkomen in de harem. En voor de gezelligheid doen we er een angorakat bij – angora is verwant met de naam van de Turkse hoofdstad Ankara!

Ik licht twee woorden uit die zó alledaags (en bijna typisch) Nederlands zijn dat ze meer aandacht verdienen.

  • Koffie. In de zeventiende eeuw raakte koffie in Nederland in de mode. De naam ervan is van oorsprong het Arabische woord qahwa (letterlijk ‘donkere drank’). Eerst betekende het ‘wijn’; nadat Mohammed alcohol had verboden, raakte het woord in gebruik voor ‘koffie’. Het Turks nam het over als kahve. Uit een van die talen heeft het zich over Europa verspreid, meestal met een a (caffè, Kaffee), in het Engels en Nederlands met een o (coffee, koffie). Ons café was van oorsprong een ‘koffiehuis’.
  • Tulp. Die bloem komt van oorsprong uit Turkije. Daar noemden ze de tulp eerst tülbend of tülbendlâle: ‘tulbandbloem’, omdat de geopende bloem op een tulband lijkt. (Het woord tulband had het Turks uit het Perzisch geleend.) Dat woord ontwikkelde zich tot tulipan (meervoud). In het Nederlands viel -an al snel weg, en begin zeventiende eeuw verdween ook de -i-, misschien omdat mensen melk netter vonden dan melluk en ze daarom ook tulp netter vonden dan tulip (alsof de i een ‘svarabhaktivocaal‘ was).

Meer weten over Turkse leenwoorden? Kijk dan op etymologiebank.nl (de links onder de woorden) of blader in het Groot leenwoordenboek van Nicoline van der Sijs (pagina 431-435).

Spreekwoorden

Vooraf een disclaimer: zoals veel uitdrukkingen over andere volken zijn ook die over Turken niet allemaal vrij van vooroordelen.

Dit zijn de bekendste uitdrukkingen over Turken:

  • roken als een Turk: veel roken
  • eruitzien als een Turk: er donker / vuil / boos uitzien (Turk staat hier eigenlijk voor een willekeurige donker uitziende zuiderling; volgens Van Dale moet je het dan ook als turk schrijven)
  • liever Turks dan paaps: ‘liever islamitisch dan rooms-katholiek’, een kreet uit de Tachtigjarige Oorlog van de protestantse opstandelingen tegen het katholieke Spaanse gezag

Geuzenpenning: “LIVER TURCX DAN PAUS”. Bron: Wikimedia Commons, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:3_Geuzenpenning,_halve_maan.jpg