u hebt of u heeft

U heeft of u hebt?

‘U heeft’ of ‘u hebt’? U vertoont soms trekken van een derde in plaats van een tweede persoon. Hoe komt dat?

U is net als jij en jullie een tweede persoon: iemand die je aanspreekt, een of meer mensen met wie je samen bent en met wie je praat. Gek genoeg zijn er grammaticale verschillen tussen u en jij/je: u lijkt soms meer een derde persoon.

U heeft, u is, u kan

Zo zeggen we massaal ‘u heeft’, net als ‘hij heeft’, en niet ‘u hebt’, zoals bij ‘jij hebt’. Vroeger was het ook ‘u is’, maar bij het werkwoord zijn gebruiken we tegenwoordig niet meer die vorm van de derde persoon; we zeggen nu ‘u bent’. Maar in plaats van ‘kunt u’ hoor je ook wel ‘kan u’, zeker in België. En we zeggen vaker ‘u vergist zich’ dan ‘u vergist u’.

Hoe kan dat allemaal? Daarvoor duiken we in de geschiedenis van u. Drie verhalen verklaren de net niet helemaal normale situatie van nu:

  1. U heeft een complexe geschiedenis.
  2. De werkwoordsvormen bij jij vertonen een eigenaardigheid.
  3. Onregelmatige werkwoorden maken de boel, tja, onregelmatiger.
1. Complexe geschiedenis van u

U was ooit de niet-onderwerpsvorm van gij: het was ‘gij ziet mij’, maar ‘ik zie u’. ‘U ziet mij’ ontstond in de zestiende eeuw en deed er eeuwen over om standaardtaal te worden.

Of u zich ‘zomaar’ tot onderwerpsvorm heeft ontwikkeld – iets wat ook in andere talen vaker gebeurt – of dat er nog een complexe tussenstap was, daarover bestaat geen zekerheid. Die complexe tussenstap is:

In de 17e eeuw kwam in briefstijl de aanspreekvorm Uwe Edelheit voor, dus met het bezittelijke voornaamwoord uw; dit werd veelal afgekort tot Uwe Edt, Uw(e) Ed., U Ed. en vervolgens ook U E. Deze laatste twee vormen zijn nog tot ver in de 19e eeuw in zwang gebleven. Algemeen wordt aangenomen (…) dat het de uitspraak /u(w)ee/ van U E. is geweest, die na klemtoonverspringing en afslijting van de auslaut heeft geleid tot u; daarbij zou het bestaan van de accusatief u slechts een versterkende rol hebben gespeeld.

Dit citaat komt uit de Etymologiebank, waar je het uitgebreide verhaal over u als onderwerp kunt nalezen (uiteraard wat technisch).

De tussenstap van ‘uwe edelheid’ kan verklaren waarom u iets weg heeft van een derde persoon: die ‘edelheid’ is geen rechtstreekse aanspreekvorm, maar iets waarbij je de derde persoon gebruikt. Terzijde: in diverse andere talen krijgt de beleefdheidsvorm een vervoeging die bij de derde persoon past, zoals in het Duits en het Italiaans.

2. Jij hebt, maar heb jij

‘Heb jij’, ‘ben jij’, ‘loop jij’ – waar is die t van ‘jij hebt’, ‘jij bent’ en ‘jij loopt’ gebleven? Bij geen enkel ander onderwerp hangt de vervoeging van het werkwoord van de woordvolgorde af. Ook bij u niet. Raadselachtig, maar er is een verklaring.

De oorzaak ligt vele eeuwen terug. Toen gebruikten we nog niet eens jij, maar gij (in de vorm ghi). ‘Gij leeft’ was van oorsprong tweede persoon meervoud (‘jullie leven’), maar verdrong al vroeg de oude enkelvoudige vorm du, zodat ‘ghi levet’ ook ‘jij leeft’ ging betekenen.

Waer bestu bleven?
“Egidius waer bestu bleven (…) Du coors die doot du liets mi tleven”: in de Middeleeuwen was er geen ‘je’ maar ‘du’.

Nu hoorde je bij inversie, dus als eerst de persoonsvorm en dan het onderwerp komt, niet precies ‘ghi’. Het was iets als ‘leefdi’ (‘leef jij’). Een theorie is dat jij en je uit dat di ontstaan zijn: ‘leef-di’, ‘leef-dji’, ‘leef-ji’, ‘leef-jij’, ‘leef-je’. En later doken jij en je ook op vóór de persoonsvorm. Daar vervingen ze gij, maar de persoonsvorm verloor in die positie z’n t niet: ‘gij leeft’ –> ‘jij/je leeft’.

Die ingewikkelde maar waarschijnlijk wel juiste theorie is uitgebreid beschreven door Nicoline van der Sijs en handig samengevat (maar minder beknopt dan hier) door Peter Debrabandere. Overigens bestond je ook al als Hollandse variant van ge; dat wordt beschreven in het proefschrift van Hanny Vermaas, waarnaar ik onderaan verwijs.

3. Onregelmatige werkwoorden

Bijna alle werkwoorden zijn in de tegenwoordige tijd regelmatig: ze volgen allemaal hetzelfde stramien. Ik loop, jij loopt, loop jij, u loopt, hij/zij loopt, wij/jullie/zij lopen.

Het groepje werkwoorden dat in de tegenwoordige tijd afwijkt van die vormen, is klein. En het zijn precies die werkwoorden waar de jij- en u-vormen zich vreemd gedragen. Het gaat om hebben en om een paar van de zogenoemde modale werkwoorden: kunnen, zullen, willen.

  • hebben: jij hebt, heb jij, u hebt/heeft
  • kunnen: jij kunt/kan, kun/kan jij, u kunt/kan
  • zullen: jij zult/zal, zul/zal jij, u zult/zal
  • willen: jij wilt/wil, wil jij, u wilt/wil

(Mogen is ook onregelmatig, maar heeft maar één vorm in het enkelvoud: mag. Als dat niet zo was, hadden we nu nog gedoe gehad met de keuze tussen moog, moogt en mag. Bij het meest onregelmatige werkwoord, zijn, bestond vroeger u is; dat zegt nu niemand meer, waardoor in elk geval die verwarring is opgelost.)

U is een tweede persoon; daarom vinden we ‘u is’ raar. En de weinige gij-vormen die afweken (‘gij zijt’), combineren we niet meer met u. Daarom zeggen we ‘u bent’.

U heeft: oud restant

Waarom gaat die redenering dan voor ‘u heeft’ nog niet op? Dat is waarschijnlijk een restant van vroeger. Toen kon je u nog wel als derde persoon opvatten, wat dus door ‘uwe edelheid’ zou kunnen komen. Het was vroeger niet ‘u bent’ maar ‘u is’, en bij het wederkerend voornaamwoord doen we nog steeds maar wat: zowel ‘u vergist u’ als ‘u vergist zich’ is goed.

Én vroeger gebruikten we ook de vorm ‘gij heeft’. Die vorm is ouder dan ‘jij hebt’. Bij regelmatige werkwoorden verschilden de jij- en de gij-vorm een eeuw of twee, drie geleden niet van elkaar; bij hebben wel. En omdat heeft sowieso erg veel voorkomt (als derde persoon), kon die, in tegenstelling tot zijt bij zijn, makkelijk blijven hangen.

Tot slot is hebben nu eenmaal onregelmatig, net als een paar modale werkwoorden. Je hoort behalve ‘jij kunt’ en ‘u zult’ ook ‘jij kan’ en ‘u zal’. Veelvoorkomende onregelmatigheden zijn vaak hardnekkig; hoe vaker een uitzondering voorkomt, hoe minder makkelijk die ‘weggepoetst’ wordt.

Hier eindigt het ingewikkelde verhaal. Misschien heb je ‘u hebt’ altijd logischer en mooier gevonden. Zelf heb ik ‘u hebt’ moeten aanleren als ‘de betere vorm’ toen ik bij Onze Taal werkte (2003-2015). Maar die voorkeur lieten we de laatste jaren wel zo’n beetje los. ‘U heeft’ is zó ontzettend gewoon dat die uitzondering een regel op zich is geworden.

Verder lezen

Toevallig verschenen er deze week meer artikelen over u:

In dat laatste stuk staat ook een verwijzing naar een uitgebreid proefschrift over onder meer u en je:

Voor verhalen over taal kun je bij mij terecht. Ik geef bijvoorbeeld lezingen en schrijf dictees.

1 gedachte op “U heeft of u hebt?”

  1. Fantastisch! Op zo´n uitgebreid antwoord had ik niet gerekend. Kan ik toch mooi op mijn curriculum bijtekenen dat ik Wouter van Wingerden geïnspireerd heb tot het schrijven van een artikel. 😉
    Tige tank!

    Nog even over die aanspreekvorm in de derde persoon…
    Dat doen we in het Fries ook. Men tutoyeert bijvoorbeeld zijn vader of moeder niet. Het is altijd “heit” of “mem”, waaraan de 3de persoonsvorm geplakt wordt. Ook als ik jou op de man af zou vragen of je goed geslapen hebt, zeg ik: “Heeft Wouter goed geslapen vannacht?” (maar dan in het Fries)
    In het Portugees hebben we meer dan 30 verschillende gradaties van afstand in aanspreekvorm. Maar dat is voor een volgende keer. 😉

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top