het woord lul

Alles over het woord ‘lul’

Lul, lullig, lullen. Heel positief klinkt dat allemaal niet. Maar wat heeft praten met het mannelijk lid te maken? En hoe erg is het eigenlijk als iemand je een lul noemt? Hier het hele ‘lulverhaal’: de herkomst van het woord lul, de betekenissen, en alle woorden en uitdrukkingen die ermee gevormd zijn.

Snel naar: betekenis | etymologie | scheldwoord |  bijvoeglijk naamwoord | werkwoord | uitdrukkingen | synoniemen | trivia

Opmerkingen of aanvullingen? Reageer onderaan.

Betekenis van lul

In het hedendaagse Nederlands heeft lul drie betekenissen:

  1. penis, mannelijk geslachtsdeel
  2. onhandige man, sul, sukkel
  3. onsympathieke man, nare vent

De derde betekenis komt nu misschien wel het vaakst voor, maar is het nieuwst; in oudere woordenboeken is lul nog geen grof scheldwoord. Als benaming voor een man is lul afgeleid van de penis. Dat verwijzen naar geslachtsdelen gebeurt vaker, zoals bij pik en klootzak – en vergelijk doos, kut en muts als scheldwoord voor een vrouw.

Het gigantische Woordenboek der Nederlandsche Taal beschreef lul in 1923 als vier verschillende woorden. Dat ziet er heel anders uit dan hoe we het woord nu kennen. Het WNT geeft als betekenissen:

  1. stagzeil
  2. deuntje, wijsje; geklets (een onomatopee)
  3. tuitkan; pijp, buis; mannelijk lid (“verschillende buisvormige voorwerpen”)
  4. sul, sufferd, sukkel

Waar komt het woord lul vandaan?

tuitkan
Tuitkan uit de 18e eeuw. Bron: Veilinghuis Korst van der Hoeff.

In het kort: de lul als penis is dankzij de buisvorm genoemd naar de ‘pijpkan’ of ‘tuitkan’ die het woord lul eeuwen geleden aanduidde. Dat was een kan met een zuigpijpje aan de bovenkant, om baby’s en zieken uit te laten drinken. Tegenwoordig zou je daar een glas of beker met een rietje voor gebruiken.

Hoe die tuitkan aan de naam lul gekomen is, is onzeker: óf het is klanknabootsend, wat ook het WNT suggereert, óf het komt doordat zo’n kan leek op een lullepijp (een soort doedelzak). Het eerste deel daarvan komt van het werkwoord lullen in de oude betekenis ‘een eentonig geluid voortbrengen’ (zie verderop). Het hele verhaal vind je in de Etymologiebank.

Scheldwoorden en samenstellingen met lul

Een lul is een mannelijke sufferd. Van dit woord lul bestaan diverse beeldende varianten. De ouwe lul bijvoorbeeld, over wie Van Kooten en De Bie in 1984 zongen: ’Ouwe lullen moeten weg’. Of de lul met vingers, die ik maar aan je eigen fantasie overlaat.

Een lulletje rozenwater is een sullige, onbenullige jongen of man (van oorsprong is het soldatentaal). Lulletje lampenkatoen zal niet veel positiever zijn. De lul-de-behanger: ook de behanger stond als suf bekend, zoals je iemand nu putjesschepper als lullig beroep toe zou dichten. Net zo lullig is het als je iets voor Jan Lul doet: voor niets, tevergeefs – voor de kat z’n kut.

Samenstellingen met dit suffe lul zijn er volop. Ik noem de bekendste, al zal dat wel subjectief zijn:

  • beschuitlul, burgerlul, droplul, duflul (de tegenhanger van sufkut), janlul, oetlul, suflul
  • lulhannes, lulkous, lullemie

De nieuwere, ergere betekenis van lul duikt ook in allerlei samenstellingen op. Ik neem hier de grovere lul-scheldwoorden op, ook al is soms niet uit te maken of lul hier van oorsprong de ‘softere’ betekenis had of van zichzelf al ‘klootzak’ betekende:

  • apenlul, bokkenlul, hondenlul (bekend van hi-ha-hondenlul, vaak tegen scheidsrechters gescandeerd), kankerlul, kutlul, paardenlul, tyfuslul

Veel van deze scheldwoorden vind je met uitleg en citaten in de Etymologiebank.

Bij sommige woorden hangt het trouwens van de context af hoe grof ze zijn. In ‘Elke/iedere boerenlul kan z’n rijbewijs halen’ is boerenlul niet meer dan ‘sukkel’, terwijl iemand voor ‘Boerenlul!’ uitschelden heel wat harder overkomt. Ook de lamlul kan zowel een sukkel als een nare vent zijn, en de schijtlul is soms een bangerik en soms een hufter.

Bijvoeglijk naamwoord: lullig

Lullig betekent ‘suf’, ‘gering’ of ‘gemeen’. Het is met -ig afgeleid van lul in de betekenis ‘sul, sufferd’. Bij elke betekenis een paar voorbeelden:

  • ‘suf, stom’: een lullig autootje, een lullige bril, lullige deuntjes, lullige kleren, een lullig muziekje
  • ‘gering, schamel’: een lullig bedrag, een lullig bosje bloemen
  • ‘onaardig, gemeen, naar, oneerlijk, vervelend’: een lullige opmerking, een lullige streek

Soms zijn meer betekenissen mogelijk, zoals bij een lullig cadeautje, een lullig karweitje, op een lullige manier, op een lullig moment, een lullige smoes of een lullig stukje.

Lullig wordt ook als bijwoord gebruikt: lullig doen tegen iemand (‘Doe niet zo lullig!’), iemand lullig behandelen.

En natuurlijk is lulligheid ervan afgeleid. Dat komt geregeld voor in ‘de lulligheid ten top’.

lullig autootje
Ik vind lullige autootjes wel vertederend. Neem nou deze Zastava!

Werkwoord: lullen

Ik lul, jij//hij/zij lult, wij/jullie/zij lullen, lulde(n), geluld, lullend: ja, lullen bestaat overduidelijk als werkwoord. Kutten komt van kut, komt lullen dan ook van lul? Nee, zeker niet; het is op een ingewikkelde manier juist andersom (zie de etymologie van lul). We hebben dit hele artikel dus te danken aan het werkwoord lullen!

“Binnensmonds zingen, neuriën, een eentonig geluid voortbrengen.” Dat is de oorspronkelijke betekenis van lullen, zegt het WNT. Later werd het ook “onbeduidende dingen zeggen, kletsen, zaniken, zagen” en vandaar ook simpelweg ‘praten’.

Lullen is een onomatopee, net als zoemen, brommen en hummen. In dat laatste herken je makkelijk het Engelse to hum (‘neuriën’). En laat het Engels nu ook to lull hebben: ‘sussen’ of ‘in slaap brengen’, “calm or send to sleep, typically with soothing sounds or movements”, zegt het Oxford Dictionary of English. Dat legt zelfs een link met drinken, wat ook al in de paragraaf over de etymologie langskwam.

Middle English: imitative of sounds used to quieten a child; compare with Latin lallare ‘sing to sleep’, Swedish lulla ‘hum a lullaby’, and Dutch lullen ‘talk nonsense’. The noun (first recorded in the sense ‘soothing drink’) dates from the mid 17th cent.

To lull wordt zelden meer gebruikt, maar het zelfstandig naamwoord lullaby (‘slaapliedje’) is nog heel algemeen. ‘Lullaby’ is ook de titel van een hit van The Cure uit 1989 en een van Sigala en Paloma Faith uit 2018; daarnaast is er ’Sweet Lullaby’ van Deep Forest. Op YouTube zijn tal van ‘lullaby versions’ van pophits te vinden.

Net als lul leent lullen zich prima voor het vormen van samenstellingen. Iemand omlullen is iemand ompraten. Als je doodmoe bent van eindeloos gepraat van anderen, ben je platgeluld of sufgeluld. Met lullen kun je iemand omverlullen (‘verbaal de baas zijn’); de ander is dan uitgeluld, heeft geen weerwoord meer. En onzin of geneuzel kun je kort afdoen met gelul.

Een presentator of commentator kan de resterende tijd of wachttijd van bijvoorbeeld een uitzending of een onderdeel van een dagprogramma vollullen. Je kunt ook iemand of iets verlullen: verraden of verklappen; zich verlullen is zijn mond voorbijpraten.

gel-ul
Een flinke Porsche gelul.

Samenstellingen met lullen

Een lulsmoes is net als een kutsmoes een slecht excuus, maar het is ook nog eens een slap verhaal. Dat laatste druk je ook uit met lulverhaal. En lulkoek is een bekend synoniem van onzin.

Het lulijzer is de telefoon of de telefoonhoorn; in Nederlands-Indië werd een veldtelefoon ook wel lultali genoemd.

Van lullen is trouwens het lollig (of lullig?) bedoelde lullificatie afgeleid: ’smoes’, ‘kletspraat’ of ‘gezwets’ betekent dat. In Van Dale vond ik ook nog lulla (‘vrouwelijke kletsmajoor’) en lullage (‘kletspraat’). Als een gewoon Nederlands woord een chic aandoend achtervoegsel krijgt, geeft dat vaak een komisch effect: deskundoloog, kakkineus, verneukeratief. Zie deze lijst.

Uitdrukkingen met lul

De woorden lul en vooral lullen lenen zich heel goed voor tal van uitdrukkingen:

  • dat slaat als een lul op een drumstel: dat slaat nergens op (vergelijk: dat slaat als een tang op een varken en dat slaat als kut op Dirk)
  • de lul zijn: het slachtoffer zijn, het moeten bekopen. In de pisang zijn en de sigaar zijn zijn pisang (= banaan) en sigaar eufemismen voor lul. Of dat voor klos, pineut en sjaak ook geldt, is onbekend.
  • gelul in de ruimte: oeverloos of ongegrond gezwets
  • je lul achternalopen: seks als drijfveer hebben (als man)
  • laat ze maar lullen: trek je niets aan van wat mensen (over jou) zeggen
  • links lullen, rechts vullen: verwijt aan linkse politici en andere idealisten die goed verdienen of zichzelf verrijken
  • lullen als Brugman: plattere variant van praten als Brugman
  • niet lullen maar poetsen: geen woorden maar daden, niet praten maar doen
  • uit je nek lullen: onzin verkondigen
  • voor lul staan: te kijk staan, belachelijk zijn. Je kunt ook iemand voor lul zetten: hem/haar publiekelijk belachelijk maken.
  • zo trots als een aap met zeven lullen: enorm trots

Ook in de clichés die Pepijn en ik verzamelen, duiken geregeld ‘lulwoorden’ op.

  • Het is/was niet lullig bedoeld.
  • Ik heb het altijd al een lul gevonden.
  • Ik wil niet lullig doen hoor, maar …
  • Lullig voor je!
  • Uitgeluld!
Ze kunnen beter over je fiets lullen dan over je lul fietsen.
Gemaakt op tegelspreuken.nl.

Synoniemen van lul

In alle betekenissen heeft lul tientallen synoniemen. Ik heb de volgende verzameld, voornamelijk van Synoniemen.net en uit Van Dale. Van de scheldwoorden bevatten er een aantal zelf weer het woord lul:

mannelijk geslachtsdeel: apparaat, deel, derde been, elfde vinger, fallus, fluit, genotsknots, gereedschap, geslacht, harde, jongeheer, joystick, knuppel, lans, leuter, lid, mannelijkheid, paal, penis, piel, pielemuis, piemel, pik, pisser, plasser, potlood, prik, puddingbuks, rampetamp, roe, roede, slurf, snikkel, speer, stijve, tamp, tampeloeres, tollie, vleeslolly, worst, zwengel (zie hier een langere lijst)

domme, onhandige vent: amateur, beschuitlul, dombo, droplul, druiloor, duts, flapdrol, gladiool, hannes, janlul, klungel, kluns, knuppel, knurft, lomperd, loser, lummel, oelewapper, oen, oetlul, oliebol, onbenul, pannenkoek, prutser, stoethaspel, stuntel, sufferd, sukkel, uil

nare, vervelende vent: eikel, ellendeling, etter, etterbak, etterbuil, gemenerd, hond, hondenlul, hufter, kankerlul, klerelijer, kloot, kloothommel, kwal, kwijlebabbel, lamlul, lamzak, lulhannes, misbaksel, mispunt, naarling, onverlaat, paardenlul, patjakker, pleurislijer, ploert, plurk, pokkenlijer, rotvent, rotzak, schoft, smeerlap, teringlijer, tyfushond, tyfuslijer, tyfuslul, vuilak, zak, zakkenwasser

Trivia

  • Net als kut wordt lul soms als afkorting geherinterpreteerd. ‘Lange urineleider’ zou het dan zijn.
  • De universiteitsbibliotheken in Leiden noemen zich Leiden University Libraries (UBL).
  • “Hé lullo, heb je nog geneukt?” De onuitstaanbare corpsballen Van Binsbergen, Kerstens & Kamphuijs waren de Lullo’s van Jiskefet.
  • pardon lulHein de Kort heeft meerdere stripalbums gemaakt met de titel Pardon lul.
  • Lul en lullen figureren ook in de Nederlandstalige muziek: denk aan de Dikke Lul Band, ‘Lullen doet ze toch’ van Normaal en ‘Laat ze maar lullen’ van Peter Beense. Jos van Oss vermijdt het woord, maar ‘Zachte G harde L’ is niet mis te verstaan.
  • Lullensmid is een spottende benaming voor een uroloog.
  • De berenlul is een ordinaire benaming van een snack: vaak de frikandel, maar ook wel de berenhap of berenklauw.
  • Met de bucklerlul wist Youp van ’t Hek in 1989 het alcoholvrije bier Buckler onherstelbaar te beschadigen, in Nederland althans. Het woord is in de beruchte oudejaarsconference overigens niet letterlijk gevallen.
  • Bier figureert ook in ‘Dikke lul, drie bier’: een uitroep die betekent dat je je nergens wat van aantrekt, van een verzoek bijvoorbeeld. Ook: ‘Ja, dikke lul!’
  • In 2006 wist een metselaar het woord LUL in de muur van een huis te verwerken. Hij moest het wel snel weer aanpassen.
  • De Amsterdamse PvdA-politicus Jan Schaefer werd beroemd om zijn uitspraak “In gelul kan je niet wonen”, wat in nettere vorm op campagneposters “In geouwehoer kun je niet wonen” werd.
  • kein geloel: bekerVoetbaltrainer Ernst Happel, een Oostenrijker, werd in Nederland bekend om zijn uitspraak “Kein geloel, Fussball spielen!” Een al jaren bestaande podcast over Feyenoord heet Kein Geloel.

8 gedachtes op “Alles over het woord ‘lul’”

  1. Anatomisch én medisch-terminologisch beschouwd is ‘lul’ als veronderstelde afkorting van ‘lange urineleider’ discutabel: 1) de urineleider (Latijn: ureter) is de gepaard aangelegde (= 2 stuks) buis die van de nieren naar de urineblaas loopt; de buis van de blaas naar buiten is de plasbuis, urethra, urinebuis oftewel pisbuis; 2) de ureter is langer dan de urethra; het ligt niet voor de hand de kortste van de twee structuren met ‘lange …’ aan te duiden.

  2. Brenda de Bakker

    Wat een vrolijk artikel! Zo trots als een aap met zeven lullen, spreekt tot de verbeelding.

  3. Paul Tilanus

    Het werkwoord “condomiseren” heeft voor zover ik weet de woordenboeken nog niet gehaald. Door de betekenisomschrijving, “lang lullen zonder resultaat”, had het goed bij het artikel gepast.

  4. Zou het mogelijk zijn dat het werkwoord lullen van het Griekse laleo komt? Dat lijkt me zelf een voor de hand liggende afleiding maar lees het nergens.

    1. doetietsmettaal

      Veel Indo-Europese talen hebben vergelijkbare klanknabootsende woorden gevormd. In die zin zijn ze wel verwant, maar er hoeft niet per se een gemeenschappelijke voorouder te zijn. Lullen komt in elk geval niet rechtstreeks van een vergelijkbaar Grieks of Latijns woord.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top