de of het virus

De virus? Het virus!

Is het de of het virus? Virus is een onzijdig woord: het coronavirus, het computervirus. Hoe komt het dan dat veel mensen toch het lidwoord de gebruiken?

Honderden keren heb ik het al gelezen, maar vooral gehoord: de virus en de coronavirus. Vanochtend nog in het RTL Nieuws: “Want dan beschermen we ons tegen de coronavirus”, zei iemand op Utrecht Centraal.

de of het coronavirus
Bij de samenstelling coronavirus twijfelen mensen relatief vaak over het bijbehorende lidwoord, laat Google Trends zien.
Beste gok

De of het virus, de of het coronavirus – waarom is het antwoord op die vraag niet voor iedereen het? Ten eerste wellicht omdat het lidwoord de gewoon vaker voorkomt dan het, dus als je het even niet weet, is de de beste gok. (Volgens kenners is zo’n driekwart van de gebruikte zelfstandige naamwoorden een de-woord.)

De tweede oorzaak van het hardnekkige de virus zou heel goed de uitgang -us kunnen zijn. Bijna alle uit het Latijn afkomstige woorden die op -us eindigen, zijn in het Nederlands mannelijk (net als in de taal van oorsprong). En dus geen het-woord maar een de-woord. Zomaar wat bekende voorbeelden: anus, cynicus, exodus, fallus, focus, humus, modus, prunus, status, tetanus.

Uitzonderingen

Er zijn maar weinig uitzonderingen. Sommige -us-woorden zijn de én het:

  • de/het circus
  • de/het prospectus
  • de/het pus (je wist misschien niet eens dat dat Latijn was)
  • de/het tempus (‘werkwoordstijd’)

De volgende woorden op -us zijn onzijdig:

  • het corpus
  • het genus (‘woordgeslacht’)
  • het jus (van ius, ‘recht’)
  • het opus (magnum opus)
  • het ulcus (‘zweer’)
  • het virus
  • het vulgus (‘volk, gepeupel’)

Alle samenstellingen daarmee zijn natuurlijk ook het-woorden, zoals het coronavirus, het verkoudheidsvirus en het computervirus.

Dat virus in het Nederlands een het-woord is, komt waarschijnlijk doordat het dat in het Latijn al was (ja, bij -us-woorden was dat wel uitzonderlijk). Ook in veel andere Germaanse talen waarin het-woorden bestaan, is virus oorspronkelijk onzijdig, zoals het Duits, het Zweeds en het Noors.

Concrete betekenis

We kennen het woord in het Nederlands sinds de zeventiende eeuw; al die tijd is virus vooral als het-woord gebruikt. Volgens het klassieke Woordenboek der Nederlandsche Taal wordt het “zelden als de-woord gebezigd”. Eeuwenlang betekende virus “vergiftighe etter” (1663), een gif van dierlijke oorsprong dat andere dieren ziek kon maken. Niet-telbare stoffen zijn relatief vaak het-woorden. Pas later heeft het woord zijn huidige, concretere betekenis gekregen: ‘ziekteverwekker, veel kleiner dan de kleinste bekende bacteriën’. Die concrete, telbare betekenis zou een derde oorzaak van het opduiken van het lidwoord de kunnen zijn.

Het Nederlands staat niet alleen in die neiging tot geslachtsverandering. In het Duits is naast het oorspronkelijke das Virus inmiddels ook der Virus correct, zegt Duden. Ook in het Deens kan virus zowel onzijdig als niet-onzijdig zijn.

De of het? Op zulke kleinigheden let ik natuurlijk heel goed als ik een tekst op spelling en grammatica controleer. Maar ik doe ook graag suggesties om je tekst duidelijker en prettiger leesbaar te maken. Lees hier wat ik voor je kan doen.

2 reacties op “De virus? Het virus!”

  1. Bob van Dijk

    Ik zie dat je ‘magnum opus’ hanteert, Wouter. Niks mis mee. Maar op het gymnasium leerden wij vroeger toch echt dat ‘opus magnum’ de enig juiste spelling was.
    Misschien invloed van de Engelse taal? Ook in Frankrijk zie je steeds meer omdraaiingen die je vroeger niet in je hoofd haalde: ‘un livre très beau’ heet inmiddels ‘un très beau livre’.
    Benieuwd wat je mening is.
    Tot horens, corona volente!

    1. doetietsmettaal

      Ik heb hier eerlijk gezegd geen mening over. In het Nederlands kan het allebei. En zo vast was de woordvolgorde in het Latijn toch niet?

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top