Wat betekent het woord ‘klimaat’ letterlijk?

Ik vroeg me tijdens al die discussies over het veranderende klimaat ineens af: waar komt het woord klimaat eigenlijk vandaan? Aan het woord zelf zie je dat niet goed; het bestaat niet uit delen die we ook los als woord kennen. Met klimmen of met maat heeft het niets te maken. Hoe is het woord dan ontstaan en in het Nederlands terechtgekomen? Daarvoor heb ik in de Etymologiebank gekeken.

Helling

Klimaat blijkt uit het Grieks te komen. Dat had een woord klíma. Klíma betekende: ‘glooiing, helling’. Het had te maken met het werkwoord klínein, dat ‘hellen’ betekende; ons woord leunen is ermee verwant.

De Romeinen hebben klíma overgenomen als clima. Dat ging iets specifiekers betekenen, namelijk ‘helling ten opzichte van de aardas’ of ‘gebied op aarde met een zelfde stand van hemellichamen’. En toen dat eenmaal in het Frans was terechtgekomen als climat, kreeg het gaandeweg ook de betekenis ‘gemiddelde weersgesteldheid, klimaatgordel’.

Gemiddeld weer

Zo’n ‘gordel’ was dus eerst een gebied met ongeveer dezelfde nachthemel, dezelfde sterrenbeelden. Maar in dat gebied op min of meer dezelfde breedtegraad was ook het normale, gemiddelde weer vergelijkbaar. Op lage breedten ’s zomers heet en ’s winters zacht, op ‘onze’ breedte gemiddeld koeler en natter, en verder noordelijk nog kouder.

Het Nederlands kent climaet ook al sinds de late middeleeuwen; sinds de zestiende eeuw heeft het de huidige betekenis van ‘gemiddelde weersgesteldheid’.

De figuurlijke betekenis ’sfeer’, zoals in ‘een vergiftigd klimaat tussen de partijen’, is pas heel veel later ontstaan.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *