Blokkeerfries: wat een rotwoord

Blokkeerfries is het woord van het jaar 2018, volgens Van Dale. Ik kan er maar niet over uit wat een rotwoord ik dat vind. De spelling, de strekking, de uitverkiezing – werkelijk alles vind ik er ongemakkelijk aan.

In het kort: wat zijn blokkeerfriezen ook alweer? Het woord is ontstaan na de wegblokkade in Friesland in november vorig jaar: tientallen mensen blokkeerden de snelweg om anti-Zwarte Piet-demonstranten uit Dokkum te weren, waar de landelijke intocht van Sinterklaas plaatsvond. Omdat die blokkade gevaarlijk en illegaal was, kwam daar een rechtszaak van, en daarom zijn deze zogenoemde blokkeerfriezen een groot deel van 2018 in het nieuws geweest.

Problematische spelling

Wat is er dan zo vreselijk aan het woord blokkeerfries? Nou, heel veel, maar laat ik beginnen met de spelling. Ik ben lid van de Commissie Spelling en heb in 2016 de Technische Handleiding een flinke update gegeven. Die tekst kun je zien als de uitgebreide theoretische versie van de Leidraad van het Groene Boekje. En blokkeerfries valt precies in een van de moeilijkste categorieën woorden, een heus hoofdpijndossier.

Want: moet het niet blokkeer-Fries zijn? Het is toch ook kut-Marokkaan (excusez le mot)? Maar aan de andere kant verdwijnt de hoofdletter bij veel scheldwoorden (indo, spanjool) en als je een inwonernaam niet al te letterlijk moet nemen (schoonmaakturk, troetelturk).

 

Het Algemeen Nederlands Woordenboek van het Instituut voor de Nederlandse Taal zou misschien wel voor blokkeer-Fries kiezen: een Fries die iets blokkeert. De Fries houdt zijn hoofdletter en dan moet er een streepje voor in een samenstelling. Het ANW heeft bijvoorbeeld ook een heel assortiment Belgen die ze een hoofdletter geven, zoals de schaats-Belg en de voetbal-Belg.

Van Dale kiest daarentegen voor blokkeerfries. Het woordenboek schrijft ook voetbalbelg met een kleine letter: “voet­bal­ler die voor de voet­bal­re­gels als Belg geldt”. Daar klinkt in door dat zo iemand geen volwaardige Belg is; het is geen neutraal woord. Hetzelfde zou gelden voor de schaatsbelg (met Bart Veldkamp als beroemdste voorbeeld), een woord waar altijd iets denigrerends in doorklinkt. Ik negeer nog maar even de categorie ‘Chinezen die geen Chinezen zijn’, zoals de belchinees en de gokchinees, die volgens het ANW wel een hoofdletter krijgen en volgens het Groene Boekje en Van Dale niet.

Dus wat moeten we met de blokkerende Friezen? Ik denk dat Van Dale gelijk heeft met blokkeerfries, om twee redenen:

  1. het zijn niet per se Friezen, het zijn mensen die aan de blokkade in Friesland hebben meegewerkt;
  2. het woord is inmiddels eerder een geuzennaam of een scheldwoord, net hoe je het bekijkt, en geen al te letterlijke samenstelling meer.

We zullen er eind januari in de Commissie Spelling vast wel weer een levendige discussie over voeren …

Pijnlijke inhoud

Dan de inhoud. Dat er uit tien woorden te kiezen viel en dat meer dan de helft voor blokkeerfries heeft gestemd, wijst bijna op een obsessie van veel Nederlanders met dat woord.

Ik beken meteen kleur: ik vind Zwarte Piet ongemakkelijk en pijnlijk, een achterhaalde traditie die volgens mij eenvoudig aangepast kan worden zonder dat kinderen daar enige hinder van ondervinden.

Dat er mensen tegen protesteren, lijkt me dus terecht. Dat dat protest met gescheld en geweld en blokkades zo goed als onmogelijk wordt gemaakt, vind ik misselijkmakend. De blokkeerfriezen zijn een van de (helaas meerdere) incarnaties van erg onfrisse onderbuikgevoelens. Dat wou ik toch even gezegd hebben. En ik hoop dat we ná dit jaar met z’n allen op een vriendelijkere manier vooruitgang boeken.

Overigens ben ik gek op Friesland, de Friezen en het Fries. Daarom vind ik het wrang dat het woord blokkeerfries daar een smet op werpt. Nóg een reden om een hekel aan dat woord te hebben, dat absoluut geen recht doet aan die mooie provincie met (ook) heel veel leuke inwoners.

Oranjekoek, een van de vele redenen om wel degelijk van Friesland te houden.

Bedenkelijke verkiezing

Tot slot: de verkiezing zelf. Daar heb ik om twee redenen een ongemakkelijk gevoel bij: de selectie van Van Dale, en de uitkomst van veel woordverkiezingen.

Om met dat laatste te beginnen: of het nu bij Van Dale, Onze Taal of het INT is (‘Weg met dat woord’), mensen zijn vaak geneigd om op een woord te stemmen dat ze inhoudelijk aanspreekt. De talige kant doet er meestal nauwelijks toe. Het is de lading van het woord die mensen ertoe aanzet om erop te stemmen. Blokkeerfries, genderneutraal, gifei, rampvlucht, weigerambtenaar – lexicologisch niet enorm interessante samenstellingen. Het zijn woorden die het nieuws of het maatschappelijk debat een tijdlang gekenmerkt hebben. Lees er het uitgebreide dossier ‘Woorden van het jaar’ van Onze Taal maar op na.

En dan de selectie van woorden waarop je bij Van Dale kunt stemmen. Wees eerlijk: had je ooit gehoord van yogasnuiver of mangomoment, de nummers 2 en 3 van de Nederlandse verkiezing? Ik niet. Van de rest van de top tien kwam alleen vliegschaamte me bekend voor. Daar is dus iets grondig mis.

Van Dale houdt al vele jaren stug vast aan de eis dat een woord van het jaar niet al vóór dat jaar ergens gebruikt mag zijn. Dat is voor een lexicoloog misschien leuk, maar representatief voor het taalgebruik van een bepaald jaar is dat helemaal niet. Een groot deel van de Woord van het Jaar-kandidaten is daardoor vaak nogal irrelevant.

Als ik het goed heb, gaat binnenkort de andere verkiezing van het woord van het jaar van start: die van Onze Taal. De eisen zijn daar minder star. Hopelijk zijn de shortlist en de uiteindelijke winnaar ook niet zo weerzinwekkend als de vermaledijde blokkeerfries.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *