thuiswerken wouter van wingerden

Thuiswerken of thuis werken: spatie?

Thuiswerken is één woord. Veel combinaties met thuis zijn een samenstelling, maar er zijn uitzonderingen, zoals zich thuis voelen. Een overzicht.

De hoofdregel is dat veel vaste combinaties van het bijwoord thuis en een werkwoord één samengesteld werkwoord vormen. Er staat dus geen spatie tussen. In woordenlijsten en woordenboeken zijn er heel wat te vinden. Daarbij maakt het niet uit welke betekenis thuis heeft:

  • ‘naar/aan huis’: thuisbezorgen, thuisbrengen, thuishalen, thuisleveren, thuissturen
  • ‘in eigen huis’: thuisblijven, thuishouden, thuiskomen, thuiskrijgen, thuislaten, thuiswerken, thuiswinkelen, thuiszitten
  • ‘op de juiste plek’; figuurlijk ‘logisch, vertrouwd’: thuisbrengen, thuishoren, thuisraken (mooi voorbeeld in Van Dale: “de saus lag vol brui­ne brok­jes die nie­mand thuis kon bren­gen”)
Thuis los

Er zijn maar een paar uitzonderingen, en zelfs daarvan zou ik zeggen dat aaneenschrijven geen grote fout zou zijn. Toch zijn de volgende gevallen traditioneel met een spatie, om verschillende – niet altijd meer heel relevante – redenen. Het gaat om:

  • thuis bevallen: ‘Steeds minder vrouwen willen thuis bevallen; de meerderheid van de kinderen wordt inmiddels in het ziekenhuis geboren.’ (Thuisbevalling is wel één woord.)
  • niet thuis geven: ‘Als leerlingen of ouders herhaaldelijk niet thuis geven, zou de school op onderzoek uit moeten.’ (Waarschijnlijk is thuis hier los omdat het meer bij niet dan bij geven hoort.)
  • thuis spelen: ‘Voorlopig kunnen kinderen beter thuis spelen.’ ‘Moet Vitesse uit of thuis spelen?’ (Waarschijnlijk is thuis hier los omdat het vaak in contrast met iets anders staat: buiten, uit, in de tuin, bij een vriendje, niet thuis.)
  • thuis treffen: ‘Ik heb je helaas niet thuis getroffen.’
  • thuis vinden: ‘Ik heb je helaas niet thuis gevonden.’
  • zich thuis voelen: ‘Het belangrijkst is dat het kind zich bij ons thuis voelt.’
  • thuis wonen: ‘Voor veel studenten is thuis wonen een aantrekkelijke optie.’ (Ook hier speelt het contrast met bijvoorbeeld op jezelf wonen een rol. Thuiswonend is wel één woord: ‘Een thuiswonende student krijgt een lager maandbedrag.’)
  • thuis zijn: ‘Het is maar goed dat ik thuis was.’ (Combinaties met zijn zijn vrijwel altijd los.)

Alleen thuis geven en thuis spelen staan expliciet los in de Woordenlijst (het Groene Boekje online, maar dan veel uitgebreider). Overheid en onderwijs horen zich daar officieel aan te houden. De andere ‘losse’ gevallen staan in de woordenboeken van Van Dale, die ook de officiële spelling weergeven. Soms moet je die overigens niet te strikt aanhouden. Ik vond bijvoorbeeld voorbeeldzinnen met thuis komen en thuis zitten los, wat niet voor de hand ligt. En thuiswonen vond ik dan weer als één woord op Spellingsite.nu.

thuiswerken-thuisknippen
De knappe kapper knipt knap maar de knappe kappersknecht knipt knapper dan de knappe kapper knippen kan.
Thuisknippen

En wat moet je doen met gevallen die niet in de Woordenlijst of in Van Dale staan? Ga maar uit van aan elkaar schrijven als het een vaste combinatie lijkt met een eigen betekenis. Van Dale noemt het niet al te moderne thuisweven als voorbeeld. Daar zou ik ook gerust thuispellen (van garnalen) en thuisknippen (als kapper) onder scharen.

Voor de volledigheid: combinaties met thuis waarvan het laatste deel een zelfstandig naamwoord is, zijn altijd één woord, een samenstelling. Denk aan thuisonderwijs, thuiscomputer, thuiskomst, thuiswerk, thuisadres, thuiszorg, enzovoort. De regel vind je hier; zie ook de toelichting van Onze Taal.

Nu ik geen lessen en lezingen kan geven, werk ik thuis. Ik schrijf over het Nederlands (zoals je merkt), maar ik kan er ook over vertellen in de media. En ik zet als corrector graag mijn tanden in je tekst. Probeer me eens uit!

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar top